Uitleg
over het onstaan van hoog- en laagwaters.
Het is je vast
wel eens opgevallen dat je bij opkomend hoogwater grotere
golven hebt dan bij laagwater.
Bij voldoende wind uit een westelijke richting ontstaan
in combinatie met het getijde stroom de betere golven
langs de Nederlandse kust.
Het niveau verschil van het zeewater tussen hoogwater en
laagwater op zichzelf veroorzaakt nauwelijks c.q. geen
golven langs de kust. Voor het ontstaan van golven speelt
de luchtdruk een kleine rol en de wind speelt een grote
rol, zowel de sterkte als de windrichting.
Indien je voor de komende dagen wilt weten of je golven
kan verwachten, kan je het beste een kijkje nemen op de
Internetsite van het K.B.T. Op de Meteo pagina staan
voldoende links waarmee je een redelijke voorspelling kan
doen. Maar hoe zit dat nu met het ontstaan van hoog- en
laagwater?
Het ontstaan
van het getij.
Een eenvoudige uitleg, het zeewater staat bloot aan
de aantrekkingskracht van de maan, de zon en aan de
centrifugaal kracht door de draaiing van de aarde. De
totale aantrekkingskracht, b.v. langs de kust van
Katwijk, is een optelsom van deze krachten.
De baan van de maan om de aarde heeft een ellipsvorm,
idem geldt voor de baan van de aarde om de zon. Deze
aantrekkingskrachten geven, in combinatie met de
centrifugaal kracht van de aarde, een ellipsvorm aan het
totale wateroppervlak op aarde.

Het tijdstip van hoog- en laagwater.
De conclusie die je kan trekking uit het voorafgaande
is dat door de ellipsvorm van het wateroppervlak op aarde
er twee zijden zijn op het aardoppervlak waar er
gelijktijdig hoogwater is en er twee zijden zijn waar het
laagwater is. Bijvoorbeeld, langs de kust van Katwijk,
heb je per etmaal, tweemaal hoog- en laagwater. De tijd
tussen het ene hoogwater en het andere hoogwater duurt
geen 12 uur maar circa 12 uur en 25 minuten. Dit heeft te
maken met de ellipsvormige baan van de maan om de aarde,
na 27,32 dagen heeft de maan één omloop voltooid. Er
treed dus een verschuiving op qua tijdsstip van het hoog-
en laagwater.

Springtij en doodtij.
Springtij komt twee maal per maansmaand voor. Je zou
verwachten dat het springtij is bij volle maan en bij
nieuwe maan. Het blijkt echter twee dagen later te
vallen.
De zon, aarde en maan staan vrijwel nooit echt op één
lijn. Als dit wel het geval is, dan heb je een maans- of
zonsverduistering.
In tijdgezien loopt de baan om de zon niet in pas met de
baan van de maan. De zon, met een periode van 12 uur,
haalt de maan, met een periode van 12 uur en 25 minuten,
voortdurend in. De aantrekkingskracht van de maan op het
zeewater, wordt dus periodiek versterk en verzwakt door
de aantrekkingskracht van de zon op het zeewater. De
verschillen van de aantrekkingskracht die de maan en zon
uitoefen en hun stand t.o.v. de aarde, zijn er de oorzaak
van dat springtij bij nieuwe maan niet systematisch hoger
is als bij volle maan.
In de regel verschillen twee opeenvolgende springtijen in
sterkte. Dit komt voornamelijk door de ellipsvormige
maansbaan. Als de maan bij een bepaald springtij dichtbij
is, dan zal zij bij het volgende springtij juist ver weg
zijn. In het eerste geval is het springtij hoger dan in
het tweede geval.De verschillen van de aantrekkingskracht
die de maan en zon uitoefen en hun stand t.o.v. de aarde,
zijn er de oorzaak van dat springtij bij nieuwe maan niet
systematisch hoger is als bij volle maan. Conclusie: er
is een variatie in hoogten van springtijen, waarbij soms
het hoogste springtij valt bij nieuwe maan en een ander
bij volle maan.
Het astronomische getij.
Het vaste land, de variaties van de zeebodem en de
diepte van de zeeën hebben zo hun invloed op de
getijdestroom en de cyclus van de getijden. We kunnen dan
ook op grond van deze situatie een grote regelmaat
verwachten.
Dit voorspelbare en berekenbare getij noemen we het
astronomische getij.
Dit is ook het getij dat we in de getijtafels tegenkomen.
Het is informatie die zich redelijk nauwkeurig een aantal
jaren vooruit laat voorspellen.
Op het zuidelijke halfrond ligt dus de oorsprong van onze
getijbeweging. De getijdegolf die hier wordt opgewekt
beweegt zich door de Atlantische Oceaan naar het noorden
en op deze reis wordt hij op verschillende manieren
vervormd door de structuur van de oceaan. Na twee etmalen
arriveert de getijdegolf in de Noordelijke IJszee.
Tijdens deze reis ondervindt hij een afwijking ten
gevolge van de draaiing van de aarde. Hierbij speelt ook
de luchtdruk een kleine rol en de wind speelt een grote
rol, zowel de sterkte als de windrichting.
Leeftijd van het getij.
Als de getijdegolf in de Noordzee aankomt, dan heeft
zij een flinke reis achter de rug. De tijd tussen het
ontstaan van een hoogwater in de Zuidelijke IJszee en de
aankomst van datzelfde hoogwater noemt men de leeftijd
van het getij. Ter hoogte van Brest bijvoorbeeld is de
getijdegolf ongeveer 29 uur jong. In IJmuiden daarentegen
komt het getij pas 52 uur na de geboorte aan. Dit vanwege
een langere route om de Britse eilanden heen. Voor de
gehele Nederlandse kust geldt dat het getij al meer dan 2
dagen oud is.

Als de getijdegolf zich bij de Britse eilanden bevindt,
dan betreedt zij de Noordzee vanuit twee verschillende
richtingen. Ten eerste beweegt de golf zich verder
westelijk langs de Ierse en Britse kust naar het noorden
en stroomt dan om Schotland heen. Omdat de opening daar
het grootste is, zorgt deze tak van de getijdegolf voor
het grootste effect in de Noordzee. De door de draaiing
van de aarde ontstaande centrifugaal kracht dwingt de
stroom een soort cirkelbeweging tegen de klok in te maken
door de Noordzee. De getijdegolf plant zich daardoor
voort langs de Britse kust naar het zuiden en wordt
vervolgens omgebogen langs de Belgische en Nederlandse
kust weer naar het noorden, richting Denemarken en
Noorwegen.
Een ander deel van de Atlantische getijdegolf nadert het
Kanaal vanuit het zuiden met een gemiddelde snelheid van
200 meter per seconde en wordt daar vervolgens
grotendeels geblokkeerd. Hierdoor ontstaat stuwing van
het water, wat resulteert in een groot tijverschil aan de
zuid-Engelse en Normandische kusten. Als de stroom zich
door het Kanaal heeft geperst, dan is zij al een groot
gedeelte van haar snelheid en kracht kwijt en heeft
daardoor aan onze kust nog maar weinig invloed.
Door veel waarnemingen te doen is het mogelijk op de
Noordzee lijnen te trekken waar gelijktijdig hoogwater
bestaat. De lijnen van gelijktijdig hoogwater in de
figuur laten zien dat er op de Noordzee twee punten
bestaan, waar de lijnen samenvallen en waar het getij
omheen draait. Op deze knooppunten komt vrijwel geen
getijbeweging voor. Zij worden amfidromieën genoemd.
Tijverschillen langs de kust.
Door de bodemconfiguraties, de vormen van de kusten
en allerlei andere neveneffecten kent de Noordzee een
ingewikkeld getijsysteem. De getij-krommen van een aantal
meetpunten langs de Nederlandse kust laten onderlinge
verschillen zien tussen hoog- en laagwaterstanden. De
grootste tijverschillen in Nederland treden op bij Bath
achterin de Westerschelde door stuwing van de
getijdegolf, gemiddeld 4,80 meter tussen hoog- en
laagwater. Vanaf Vlissingen neemt het tijverschil in
noordelijke richting langs de kust duidelijk af. Bij Den
Helder is het effect minimaal door de nabijheid van het
amfidrome punt (zie 'Leeftijd van het getij'), waarna het
weer langzaam toeneemt.
Uit de getij-krommen valt het verschil in tijdsduur van
eb en vloed op te maken. In Harlingen duurt het gemiddeld
4 uur en 58 minuten voordat het water op zijn hoogst is,
maar 7 uur en 27 minuten voordat het weer laagwater is.
Het is dus veel langer eb dan vloed. Hetzelfde
verschijnsel valt ook op andere plaatsen waar te nemen.
De verklaring hiervoor ligt voornamelijk onder water. De
getijdegolf beweegt zich met een bepaalde snelheid voort.
Hoe dieper de zee, hoe meer bewegingsvrijheid.
De Noordzee en zeker de Waddenzee zijn echter niet zo
diep. Als de vloed tussen de eilanden door de Waddenzee
in wordt gedrukt richting Harlingen, dan gebeurt dat met
een grote kracht. Het water ondervindt veel weerstand van
de zeer ondiepe Waddenzee. Als na de vloed het water met
eb weer terug moet, dan is de stuwende kracht van de
Noordzee niet aanwezig, maar de weerstand van de bodem
natuurlijk nog wel. Eb doet er daarom veel langer over om
het water weg te krijgen dan de vloed erover doet om het
water binnen te krijgen. Langs de Hollandse kust en
landinwaarts op de rivieren doen zich dus merkwaardige
verschijnselen voor.
Voorspellingsmethode.
Als eerste vindt er een getij-analyse plaats aan de
hand van waarnemingen over langere perioden, deze worden
verwerkt in tijd tabellen. Deze waarnemingen worden
dagelijks verricht bij de diverse meetpunten langs de
kust en op zee. Tevens wordt er gebruik gemaakt van de
waarnemingen van satellieten die zich in een baan om de
aarde begeven. Vervolgens kunnen hiermee voorspellingen
worden berekend.
Samenvatting: Rik Teernstra. Bron: www.getij.nl
|